10-05-2010, 0:14
http://www.workforall.org/drupal/files/L...cratie.pdf
De wetten binnen een rechtsgemeenschap dienen explicitaties te zijn van het natuurrecht. Het natuurlijke recht van de individuen bepaalt evenwel niet éénduidig welke wetten goed zijn en welke niet doch bakent terzake enkel grenzen af. De momenteel bestaande juridische systemen laten zware schendingen toe van de natuurlijke rechten van de individuen; vele wetten zijn overbodig of hebben een ronduit schadelijke impact. Daarom is het voor de mensheid van wezenlijk belang, dat naast elkaar vele rechtsgemeenschappen
functioneren, zodat rechtsystemen elkaar kunnen inspireren, en betere
rechtsystemen gaandeweg slechtere kunnen vervangen. De invoering van
één enkele wereldwijde rechtsgemeenschap, waarnaar thans door de
heersende kaste wordt gestreefd, zou voor de mensheid een weergaloze
ramp betekenen. Momenteel bieden parallelle rechtssystemen direct
tegenvoorbeelden die onmenselijkheid en onredelijkheid van allerhande
wetten direct laten zien. We kunnen bijvoorbeeld de onredelijkheid van het
verbod op directe wetgeving door het volk (België), van de schooldwang
(Duitsland), of van allerhande censuurwetten (België) direct doorzien door te
kijken naar de situatie in landen waarin die boosaardige wetten niet van
kracht zijn. Politieke machthebbers hebben daarom altijd de neiging om naar
uniformiteit te streven. De EU zal bv streven naar uniformisering van de
censuurwetten over heel Europa, omdat de onmenselijkheid en onnuttigheid
van die wetten dan niet meer via Europese tegenvoorbeelden (Denemarken)
direct zichtbaar kan worden. Men kan dus zeggen dat niet enkel het individu
zijn menszijn dankt aan de rechtsgemeenschap, maar ook dat (tot op zekere
hoogte) de rechtsgemeenschap haar ontwikkelingsmogelijkheden dankt aan
andere rechtsgemeenschappen. Men kan ook zeggen dat de mens als
geestelijke producent een strikt individu is (omdat enkel individuen over
denkkracht en geweten beschikken, en enkel individuen lust en leed kunnen
ervaren), als economische actor een wereldbewoner (omdat de arbeidsdeling
zich over de hele planeet uitstrekt), en als rechtsubject burger van een
specifieke rechtsgemeenschap.
Het algemene criterium voor het bestaansrecht van een wettelijke regeling zal
dus zijn: staat deze regeling, direct of indirect en op efficiënte wijze, in dienst
van de mogelijkheid om vrije overeenkomsten af te sluiten? Ipso facto kunnen
wetten, die de overeenkomsten inzake betrokkenen en inhoud gaan regelen,
en wetten die op één of andere wijze de vrije circulatie van berichten en
opvattingen belemmeren, niet worden verantwoord omdat ze de totstandkoming
van de vrije overeenkomst hinderen. Wetten die bepalen wat het
voorwerp kan zijn van eigendom of bezit, of die de vormvoorwaarden
beschrijven waaraan een geldige vrije overeenkomst moet voldoen, zijn
voorbeelden van regelgevingen die wel verantwoord kunnen zijn.
Vrije overeenkomsten zijn een aangelegenheid van de betrokken partners,
omdat alleen die partners belanghebbend zijn en enkel zij over de relevante
informatie en bekwaamheden beschikken. Iedere mens is daarentegen, uit
hoofde van zijn status als redelijk wezen, bekwaam om mee te beslissen over
de wetten die als bedding dienen voor het sluiten van de vrije overeenkomsten.
En ieder individu is op dit punt ook op gelijke wijze
belanghebbende. Men dient enkel toegang te hebben tot de kennis van het
menselijke leven in zijn algemeenheid, om zich terzake een oordeel te kunnen
vormen. Om symmetrieredenen kan de besluitvorming op dit algemene
domein enkel op basis van het gelijkheidsbeginsel geschieden. De
redelijkheid als algemeen vermogen is immers door haar aard zelf ondeelbaar
en dus voor iedereen gelijk: men kan niet ten dele redelijk zijn, evenmin als
men ten dele zwanger kan zijn. Mensen kunnen wel verschillen inzake
denkkracht en inzake allerhande specifieke mentale bekwaamheden, en deze
verschillen zullen belangrijk zijn in het verloop van het democratisch debat.
Deze verschillen zullen doorgaans ook kwalitatief onderscheiden en
incommensurabel zijn. Het algemeen vermogen tot redelijkheid echter,
waarbinnen al deze mentale vermogens en hun verschillen liggen ingebed, is
door zijn natuur zelf voor iedere mondige mens gelijk.
De wetten binnen een rechtsgemeenschap dienen explicitaties te zijn van het natuurrecht. Het natuurlijke recht van de individuen bepaalt evenwel niet éénduidig welke wetten goed zijn en welke niet doch bakent terzake enkel grenzen af. De momenteel bestaande juridische systemen laten zware schendingen toe van de natuurlijke rechten van de individuen; vele wetten zijn overbodig of hebben een ronduit schadelijke impact. Daarom is het voor de mensheid van wezenlijk belang, dat naast elkaar vele rechtsgemeenschappen
functioneren, zodat rechtsystemen elkaar kunnen inspireren, en betere
rechtsystemen gaandeweg slechtere kunnen vervangen. De invoering van
één enkele wereldwijde rechtsgemeenschap, waarnaar thans door de
heersende kaste wordt gestreefd, zou voor de mensheid een weergaloze
ramp betekenen. Momenteel bieden parallelle rechtssystemen direct
tegenvoorbeelden die onmenselijkheid en onredelijkheid van allerhande
wetten direct laten zien. We kunnen bijvoorbeeld de onredelijkheid van het
verbod op directe wetgeving door het volk (België), van de schooldwang
(Duitsland), of van allerhande censuurwetten (België) direct doorzien door te
kijken naar de situatie in landen waarin die boosaardige wetten niet van
kracht zijn. Politieke machthebbers hebben daarom altijd de neiging om naar
uniformiteit te streven. De EU zal bv streven naar uniformisering van de
censuurwetten over heel Europa, omdat de onmenselijkheid en onnuttigheid
van die wetten dan niet meer via Europese tegenvoorbeelden (Denemarken)
direct zichtbaar kan worden. Men kan dus zeggen dat niet enkel het individu
zijn menszijn dankt aan de rechtsgemeenschap, maar ook dat (tot op zekere
hoogte) de rechtsgemeenschap haar ontwikkelingsmogelijkheden dankt aan
andere rechtsgemeenschappen. Men kan ook zeggen dat de mens als
geestelijke producent een strikt individu is (omdat enkel individuen over
denkkracht en geweten beschikken, en enkel individuen lust en leed kunnen
ervaren), als economische actor een wereldbewoner (omdat de arbeidsdeling
zich over de hele planeet uitstrekt), en als rechtsubject burger van een
specifieke rechtsgemeenschap.
Het algemene criterium voor het bestaansrecht van een wettelijke regeling zal
dus zijn: staat deze regeling, direct of indirect en op efficiënte wijze, in dienst
van de mogelijkheid om vrije overeenkomsten af te sluiten? Ipso facto kunnen
wetten, die de overeenkomsten inzake betrokkenen en inhoud gaan regelen,
en wetten die op één of andere wijze de vrije circulatie van berichten en
opvattingen belemmeren, niet worden verantwoord omdat ze de totstandkoming
van de vrije overeenkomst hinderen. Wetten die bepalen wat het
voorwerp kan zijn van eigendom of bezit, of die de vormvoorwaarden
beschrijven waaraan een geldige vrije overeenkomst moet voldoen, zijn
voorbeelden van regelgevingen die wel verantwoord kunnen zijn.
Vrije overeenkomsten zijn een aangelegenheid van de betrokken partners,
omdat alleen die partners belanghebbend zijn en enkel zij over de relevante
informatie en bekwaamheden beschikken. Iedere mens is daarentegen, uit
hoofde van zijn status als redelijk wezen, bekwaam om mee te beslissen over
de wetten die als bedding dienen voor het sluiten van de vrije overeenkomsten.
En ieder individu is op dit punt ook op gelijke wijze
belanghebbende. Men dient enkel toegang te hebben tot de kennis van het
menselijke leven in zijn algemeenheid, om zich terzake een oordeel te kunnen
vormen. Om symmetrieredenen kan de besluitvorming op dit algemene
domein enkel op basis van het gelijkheidsbeginsel geschieden. De
redelijkheid als algemeen vermogen is immers door haar aard zelf ondeelbaar
en dus voor iedereen gelijk: men kan niet ten dele redelijk zijn, evenmin als
men ten dele zwanger kan zijn. Mensen kunnen wel verschillen inzake
denkkracht en inzake allerhande specifieke mentale bekwaamheden, en deze
verschillen zullen belangrijk zijn in het verloop van het democratisch debat.
Deze verschillen zullen doorgaans ook kwalitatief onderscheiden en
incommensurabel zijn. Het algemeen vermogen tot redelijkheid echter,
waarbinnen al deze mentale vermogens en hun verschillen liggen ingebed, is
door zijn natuur zelf voor iedere mondige mens gelijk.